Burgeringrijpen

De afgelopen decennia hebben er op het terrein van onveiligheid verschillende ontwikkelingen plaatsgevonden die de maatschappelijke onrust over onveiligheid hebben doen groeien. De geringe tolerantie jegens anderen in het maatschappelijke verkeer, onbeschoft gedrag, de wijd verspreide agressie, de geweldscriminaliteit - waarbij in de publieke discussie veel aandacht is geweest voor de gevallen van zwaar en zinloos geweld. Het zijn verschijnselen die al heel wat langer spelen (en die de samenleving al veel langer verontrusten), maar die de afgelopen paar jaar explosief zijn gegroeid. Onveiligheid is een belangrijk maatschappelijk probleem, en het bevorderen van veiligheid een belangrijke taak van de overheid.

De Nederlandse overheid wil dat burgers een actieve bijdrage leveren aan de veiligheid in de samenleving. Omdat de politie niet overal tegelijkertijd kan zijn en in de publieke ruimte toch geregeld (gewelddadige) incidenten plaatsvinden, verwacht de overheid van burgers sociale zelfredzaamheid. In ieder geval verwacht de overheid een actieve rol van burgers waarbij zij kunnen ingrijpen zonder daarbij zelf risico te lopen, zoals het waarschuwen van de politie of het opnemen van het signalement van de dader. Vaak durven mensen meer te doen: zij zeggen iets van intolerabel gedrag of zij treden ertegen op. Maar vaak ook durven mensen dat niet. Zij zijn bang om zelf slachtoffer te worden. Het niet optreden hangt vooral samen met angst. Het feit dat in het verleden voorbeelden zijn van mensen die de moed hadden op te treden tegen ongewenst gedrag en als gevolg daarvan ernstig gewond raakten of zelfs het leven verloren, speelt daarbij uiteraard een belangrijke rol. Maar het niet optreden wordt ook beïnvloed door het feit dat burgers die wél durfden op te treden soms werden vervolgd door het Openbaar Ministerie, veroordeeld door de strafrechter of civielrechtelijk aansprakelijk werden gesteld. Dat leidt uiteraard tot het gevoel: nu doén die mensen hun burgerplicht (of eigenlijk nog meer dan dat) en dan worden ze er nog voor gepakt ook! Op zijn zachtst gezegd is dat een weinig stimulerende reactie van de overheid. Een reactie ook die er niet toe leidt dat de ene mens de ander sneller te hulp zal schieten.

Vraagstelling

Dat leidt tot de vraag hoe burgers, die de moed hebben om in te grijpen wanneer hun medeburgers in gevaar zijn, beter kunnen worden ondersteund. Pas als dat gebeurt, zullen ook anderen weer bereid zijn in te grijpen. Daaraan vooraf gaat de vraag wat burgers nou eigenlijk zelf mogen doen en wat ze niet meer mogen doen. Mogen zij iemand die een greep uit de winkelkas doet aanhouden? Mogen ze hem een klap geven, opdat hij niet wegloopt? Een ‘rotschop’ geven? Hoeveel geweld is toelaatbaar wanneer iemand ingrijpt die getuige is van de mishandeling van een ander? Wat zijn de gevolgen voor de burger die in dergelijke gevallen optreedt als degene die het geweld gebruikte of het strafbare feit pleegde nadelige gevolgen ondervindt, bijvoorbeeld een gebroken kaak? Antwoorden op deze vragen zijn niet gemakkelijk te geven. Elke situatie is anders. De afgelopen jaren is duidelijk geworden dat de grens van de aanvaardbare eigen verantwoordelijkheid niet helder is. Burgers weten niet wat ze wel en niet mogen doen als ze getuige zijn van een (gewelds)incident op straat of in een (semi)publieke ruimte. Sommige burgers blijven daarom als verlamd staan wanneer zij zien dat iemand in elkaar wordt geslagen. Anderen grijpen zo hard in, dat zij zich achteraf voor de rechter moeten verantwoorden.

Het bovenstaande heeft vooral betrekking op incidenten in de strafrechtelijke sfeer. Maar ook buiten het strafrecht is het wenselijk dat burgers de courage hebben in te grijpen als zij zien dat een medeburger gevaar loopt. Passiviteit kan dramatische gevolgen hebben. Denk aan het meisje dat een aantal jaren geleden in een plas bij Barendrecht verdronk in het zicht van een strand met zeer veel mensen. Er zijn natuurlijk ook positieve gebeurtenissen te melden. Denk aan helden die de moed hebben mensen uit een brandend huis te redden of aan helden die in het water springen om iemand van de verdrinkingsdood te redden. Hoe is passiviteit te verklaren? En hoe komt het dat mensen zich daadwerkelijk als helden gedragen?

Het project Burgeringrijpen is gericht op zowel de sociale veiligheid (security) als de fysieke veiligheid en wordt uitgevoerd in samenwerking met het Fonds Slachtofferhulp. De stappen van dit project zijn als volgt:

Onderzoek naar ingrijpen door burgers bij situaties van (dreigende) persoonsgerichte criminaliteit en overlast. Het onderzoeksverslag is in 2008 gepubliceerd.
Standpunt SMVP over Burgeringrijpen (is beschikbaar).
Literatuuronderzoek naar gedrag van omstanders (is beschikbaar).
Mediaonderzoek. Op welke wijze besteden media aandacht aan burgeringrijpen? Hoe komen de rollen van verschillende betrokkenen in beeld? Zijn er in de loop van de tijd veranderingen in beelden over burgeringrijpen in de media opgetreden? Dit onderzoek vindt plaats bij De Telegraaf, De Volkskrant en het Haarlems Dagblad. Methoden van onderzoek zijn interviews en inhoudsanalyse. Martine den Brinker, master student Criminologie aan de Universiteit Leiden, voert het onderzoek uit in het kader van haar afstudeeropdracht. Zij werkt vanuit het bureau van de SMVP. In het najaar van 2009 komt dit onderzoek beschikbaar.
Pilot in een politieregio. Na de interne campagne bij professionals is het mogelijk het project verder vorm te geven. Het is daarbij noodzakelijk dat een adequate opleiding beschikbaar komt. Deze opleiding gaat burgers faciliteren andere burgers in nood bij te staan. Daarvoor dient het duidelijk te zijn waarvoor de burgers kunnen worden ingezet. Het idee is om via train the trainers burgers hiervoor op te leiden. Die opleiding van trainers van burgers kan in eerste instantie geschieden door gepensioneerden/vrijwilligers van politie, brandweer, GGD. Het idee is met een pilot in de regio te starten.
A+
A+   A-
     A-