Column Bob Hoogenboom
De verlokkingen van het nihilisme
Bob Hoogenboom
Michael Ignatieff’s Het minste kwaad. Politiek en moraal in het tijdperk van het terrorisme zou onderdeel moeten zijn van een verplichte instaptoets van iedere nieuwe ambtenaar die solliciteert bij de MIVD, de NCTB en de AIVD.
Althans als je – zoals Ignatieff – de mening bent toegedaan dat doelen niet altijd de middelen heiligen.
Ignatieff’s boek gaat over de dunne lijn tussen terreurbestrijders en terroristen.
Op den duur is er geen onderscheid meer. Ignatieff gebruikt in zijn argumentatie de Franse speelfilm The Battle of Algiers (1965). Tegen de achtergrond van de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd wijst Ignatieff op het tragische duel tussen twee partijen die beiden overtuigd zijn van de juistheid van hun optreden en daardoor in een neerwaartse spiraal van mensonterend geweld geraken. Marteling in deze context is business as usual: een rationele en effectieve methode om terroristische cellen uit te schakelen. Wat fascinerend is in Ignatieff’s analyse is dat hij de terroristen en hun bestrijders terugbrengt tot mensen van vlees en bloed. Op een niveau is sprake van eerzame ideologische strijd tussen de good and the bad guys. Ignatieff pelt in hoofdstuk 5, dat de gaat over de verlokkingen van het nihilisme, de politiek correcte woorden af van de war on terror. Gelijk Joseph Conrad in Heart of Darkness neemt Ignatieff ons mee naar donkere gedaanten van de war on terror. De bredere vraag die hij stelt is hoe vrije democratieën die worden geconfronteerd met nihilistisch geweld kunnen voorkomen dat hun eigen veiligheidsagenten gevangen raken in dezelfde nihilistische val als de terroristen?
Omdat de huidige taal doordesemd is van bedreigingen en risico’s en het historisch besef wat wordt weggedrukt door schreeuwende krantenkoppen vergeten we ontsporingen in de terreurbestrijding.
De moorden in het kader van operatie Phoenix in de oorlog in Vietnam, de liquidatiepogingen van de CIA richting buitenlandse leiders als Salvador Allende, Fidel Castro en Raffael Trujillo en het bankroet van terreurbestrijding in de periode 1934 – 1974 dat minutieus is gedocumenteerd door de senaatscommissie Church in 1976.
Ignatieff schrijft over de cultuur van stilzwijgen tussen politieke leiders en hun veiligheidschefs waardoor ‘stilzwijgende medeplichtigheid’ kan groeien. Beide partijen weten dan dat wederrechtelijke middelen worden gebruikt, maar beiden hebben belang bij geheimhouding.
Ignatieff noemt dit een ‘perverse relatie’ tussen politici, die in het openbaar niet de waarheid spreken en veiligheidsdiensten die politici chanteren met openbaarmaking. Politici en uitvoerders zijn dan verstrikt in een relatie van zwijgen en stilzwijgen. En, gaan lijken op diegenen die zij zeggen te bestrijden. Sterker nog, er ontstaat een ‘verslaving aan geweld’ bij de good guys. Dat ziet Ignatieff in The Battle of Algiers, en hij trekt de parallellen door naar vandaag. Geweld wordt ingezet voor cynische en zelfzuchtige doelen. Zowel in het terroristische kamp als in het contraterroristische kamp vindt men individuen die werkelijk genieten van geweld om het geweld. Betrokkenen in beide kampen zijn gefascineerd door geweld.Omdat het appelleert aan diepgewortelde psychologische behoeften die bevredigt dienen te worden. Ik laat in colleges soms een trailer zien van de www.theshadowcompany.com over Private Military Companies in Afghanistan en Irak. Een Britse huurling sluit af met: ‘War. It’s the ultimate game. Their’s nothing like it’.
Het is deze mentale laag die Ignatieff aanboort.
Diepgeworteld nihilisme – en zelfs genieten van geweld – neemt volgens Ignatieff drie gedaanten aan. De tragische gedaante – zeer begrijpelijk – ontstaat wanneer je kameraad wordt gedood. Wraak is het motief. En, hoe begrijpelijk ook de neerwaartse spiraal – actie is reactie – zet onverbiddelijk in.
De tweede – cynische – gedaante komt voort uit het psychologische genot van geweld om het geweld. We praten abstract over martelingen, maar het zijn ook mensen van vlees en bloed die het doen. Volgens Ignatieff zelfs met plezier dat raakt aan macht en seksualiteit.
De derde – nihilistische – gedaante verwijst naar hoogstaande principes die legitimeren dat middelen de doelen heiligen. Gruweldaden worden dan gedaan onder de geborgenheid van geloof in de war on drugs, de war on terror en invoering van de democratie. De vijand is dan gereduceerd tot een inferieur schepsel dat opzij dient te worden geschoven ter meerdere eer en glorie van het hogere doel. Uiteindelijk, zo schrijft Ignatieff, draagt het allemaal bij aan ‘de afstomping van het ethisch besef’. Het minste kwaad gaat over het gevaar dat wij in de oorlog tegen het terrorisme onze democratische ziel verliezen.
