Noodweer
De afgelopen decennia is er sprake geweest van verschillende ontwikkelingen die de maatschappelijke onrust over onveiligheid hebben doen groeien. Belangrijke voorbeelden daarvan zijn de geringe tolerantie jegens anderen in het maatschappelijke verkeer, onbeschoft gedrag, de wijdverspreide agressie en de geweldscriminaliteit. Het zijn verschijnselen die de samenleving al langer verontrusten, maar die de afgelopen jaren steeds vaker in de schijnwerpers zijn komen te staan. Mensen maken zich ongerust: waar gaan we naar toe als het zo doorgaat en, vooral, wat kunnen we eraan doen?
Bij de vraag wanneer een burger gerechtvaardigd mag ingrijpen, zijn twee uitgangspunten te onderscheiden. Het eerste is dat eigenrichting niet mag. Burgers mogen niet het recht in eigen hand nemen door bijvoorbeeld medeburgers te straffen. Waarom hebben we anders politie, het Openbaar Ministerie en een rechterlijke macht? Aan de andere kant hoeft recht ook niet voor onrecht te wijken. Je mag er als burger niet zomaar op slaan, maar je hoeft ook niet lijdzaam toe te zien hoe iemand in elkaar wordt geslagen. Tussen deze twee uitgangspunten wil de Stichting Maatschappij, Veiligheid en Politie (SMVP) bijdragen aan het vinden van een in de praktijk bruikbare oplossing.
De publicatie, getiteld Tussen eigen verantwoordelijkheid en eigenrichting, bevat een standpunt van de Stichting Maatschappij, Veiligheid en Politie (SMVP) van de hand van haar voorzitter prof. mr. Pieter van Vollenhoven, het rapport van de projectgroep ‘Noodweer’ onder leiding van mr. Ries Straver, oud-korpschef van de regiopolitie Hollands Midden en een epiloog van prof. mr. Ybo Buruma.
De publicatie is te bestellen bij het bureau van de stichting. De kosten bedragen € 11,50 (exclusief 6% BTW en verzendkosten). Hieronder vindt u een recensie van de publicatie.
Als de ‘rotschop’ niet mag, wat dan wel?
De Staatscourant, 15 juni 2007
Door Lex van AlmeloBurgers moeten sociaal zelfredzamer worden en meer in actie komen wanneer zij worden geconfronteerd met criminaliteit, zo bepleitten de vorige kabinetten-Balkenende. Maar de grenzen van wat daarbij wel en niet mag, zijn niet duidelijk, zo blijkt uit Tussen eigen verantwoordelijkheid en eigenrichting.
Mag de burger iemand die een greep uit de winkelkas doet aanhouden? Of een rotschop’ geven, zoals de vorige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Remkes, het uitdrukte? ‘Hoeveel geweld is toelaatbaar wanneer iemand ingrijpt die getuige is van de mishandeling van een ander?’ Deze vragen werpt voorzitter Pieter van Vollenhoven van de Stichting Maatschappij, Veiligheid en Politie op in het standpunt van de stichting over eigen verantwoordelijkheid en eigenrichting. Het zijn vragen die de voorzitter al lang bezighouden. Jaren geleden had de stichting reeds het plan een onderzoekspublicatie aan dit vraagstuk te wijden. Toen was het nog de bedoeling om zoveel mogelijk praktijkgevallen te verzamelen van burgers die ingrepen toen zijzelf of een medeburger het slachtoffer werden of dreigden te worden van criminaliteit. Met deze uitgave is het project dat de voorzitter zo na aan het hart ligt verwezenlijkt. Maar wel op een iets andere manier. In feite worden slechts een paar praktijkgevallen besproken. Voor de rest is de inhoud gebaseerd op juridische vakliteratuur en gesprekken met negentien deskundigen.
Het boek bestaat uit drie delen. In het eerste deel geeft Pieter van Vollenhoven het standpunt van de stichting weer, die verschillende aanbevelingen doet. Het tweede deel bestaat uit het rapport van de projectgroep Noodweer van de genoemde stichting. Daarna volgt een epiloog van de hand van hoogleraar strafrecht Ybo Buruma, die ook al werd geïnterviewd voor het boek en meedeed aan een groepsgesprek van deskundigen. Van dit drieluik is het eerste paneel het duidelijkst. Van Vollenhoven heeft betrekkelijk weinig woorden nodig om aan te geven hoe ingewikkeld de problematiek is en hoe groot de behoefte aan duidelijke grenzen. Daarna komt hij namens de stichting met enkele aanbevelingen. De wetgever zou het wetsartikel over noodweer moeten uitbreiden tot aanranding van het huisrecht. Daardoor zal iemand voortaan in beginsel ook onschuldig zijn aan bijvoorbeeld mishandeling als hij behalve zijn lijf en eerbaarheid ook zijn huis en haard verdedigt tegen een ander die ongevraagd en bedreigend binnenkomt. In het strafwetboek van de Nederlandse Antillen staat deze uitgebreide bepaling al. Verder ziet de stichting graag dat de politie mensen die zich hebben geweerd tegen onrecht en actief hebben ingegrepen niet te snel zelf als verdachte aanmerkt. Het openbaar ministerie zou een terughoudend vervolgingsbeleid moeten voeren als het om deze burgers gaat. Zinvol is ook het pleidooi voor nader onderzoek van praktijkgevallen, op grond waarvan zorgvuldigheidscriteria zouden moeten worden opgesteld die de grenzen van toelaatbaar burger optreden markeren.
Daaraan is de projectgroep Noodweer niet toegekomen. De projectgroep heeft een summier onderzoek laten uitvoeren naar de vraag in hoeverre het bestaande strafrechtelijke instrumentarium nog voldoende is om de eigen verantwoordelijkheid en sociale zelfredzaamheid van burgers vorm te geven. Dat onderzoek is uitgevoerd door juriste en Neerlandica Miek Smilde. Het is niet eenvoudig om een goedlopende tekst te maken van veel vakliteratuur, interviews en een groepsgesprek. De auteur is daar naar mijn idee niet helemaal in geslaagd. De structuur van het rapport lijkt duidelijk, maar de gedachten van de geïnterviewden overlappen elkaar vaak en spreken elkaar ook nogal eens tegen. Daardoor vond ik het boeiende rapport soms rommelig en verwarrend. De samenvatting en conclusies maken wat dat betreft veel goed, maar bevatten strikt genomen weinig nieuws voor de lezer die het standpunt van de stichting al heeft gelezen.
Het derde paneel van de triptiek - de epiloog van Buruma - vertroebelt de heldere samenvatting en conclusies vervolgens weer enigszins. Maar het is op zichzelf een relevant stuk, dat eindigt met een aardige kijk op het actuele thema burgerschap. Buruma: ‘Uiteindelijk gaat het namelijk ook om de belangrijke vraag in hoeverre we burgers hun eigen burgerschap buiten de gebaande paden van formele inspraakorganen toestaan. Daarmee is het veel meer dan een technisch juridische kwestie.’
